Een kleine geschiedenis

 

 

 

Deze voormalige directeurswoning is gesitueerd op de hoek van de Triosingel en de Stationsweg in Culemborg. Het pand werd in 1897 gebouwd in opdracht van de toenmalige directeur van de achterliggende gasfabriek De Liefde.

In november 1855 sloot de gemeente Culemborg een contract met de Culemborgse Gasverlichtingsmaatschappij om de stad van gasverlichting te voorzien. Hiervoor werd een gasfabriek gebouwd aan het eind van de Lange Havendijk. Doordat steeds meer bedrijven en huishoudens op het gas werden aangesloten, voldeed de capaciteit van de fabriek al snel niet meer en moest er uitgebreid worden. Dit kon niet op de bestaande locatie en de gasfabriek werd verplaatst naar een stuk grond aan de Stationsstraat. Hier werd, getuige de gevelsteen, in 1897 het nieuwe fabriekscomplex gebouwd.Hiervan bestaat nu nog de directeurswoning aan de Triosingel 45, twee panden aan de Stationsweg en het badhuisje aan de Stationsweg 3.

       Dhr. De Liefde, exploitant van de gasfabiek en eerste bewoner van het pand

Gasfabrieken zijn tot eind 1950 overal in Nederland in bedrijf geweest voor de voorziening van licht en warmte. Met behulp van kolen werd het gas gemaakt. Later bleek dat het productieproces ernstige bodemvervuiling veroorzaakte. In de jaren zestig werd er landelijk overgeschakeld op het gebruik van aardgas. De bestaande gasfabrieken werden hierdoor overbodig en sloten hun deuren. Zo ook gasfabriek "De Liefde" in Culemborg.

   

Stokerij van de gasfabriek (H.E. Roodenburg)                                                         Tegeltableau met voorstelling gasfabriek (H.E. Roodenburg)

 

Het pand

De voormalige directeurswoning heeft een rechthoekige plattegrond en bestaat uit een begane grond en een zolderverdieping onder een afgeplat schilddak met omlopende schilden. Deze schilden zijn gedekt met leien in maasdekking. In 1956 werd het huis ingrijpend verbouwd door de bekende Culemborgse stadsarchitect Th. A. Ausems. Het huis werd voorzien van de toen meest moderne bouwkenmerken, waarbij een van de eerste toepassingen van dubbelglas werd geïntegreerd. Tegen de zijgevel aan de Stationsweg werd een grote serre aangebouwd en tegen de andere zijgevel een éénlaagse uitbouw en een grote bakstenen schoorsteen.

De voorname gevels zijn dan georiënteerd op de twee belangrijkste straten: de Stationsstraat en de Triosingel.De gevels van het pand zijn opgetrokken in een rode baksteen in kruisverband en zijn voorzien van een gemetselde plint, gepleisterde speklagen en gemetselde hoekpilasters. De voorgevel is drie vensterassen breed en bevat een middenrisaliet met topgevel. In deze risaliet is ook de hoofdingang van het pand opgenomen, in een ondiep portiek met getoogde aflsluiting en twee hardstenen treden. Deze ingang bevat de oorspronkelijke houten voordeur met siersmeedwerk en een bovenlicht waarvan de invulling vernieuwd is. De strekse boog boven de ingangspartij is voorzien van gepleisterde aanzetstenen en sluitsteen. In het geveldeel rechts van de middenrisaliet is een getoogd gewijzigd venster opgenomen met een hardstenen lekdorpel. Het venster links van de middenrisaliet is niet oorspronkelijk. Dit venster bevat twee gekoppelde ramen met bovenlicht, een hardstenen lekdorpel en wordt afgesloten door een strekse boog. In de topgevel van de middenrisaliet is in een in het metselwerk aangebrachte lijst een getoogd venster opgenomen met een gewijzigde invulling (een driedelig raam met bovenlichten). Onder het venster zit een hardstenen lekdorpel en er boven een strekse boog met gepleisterde aanzetstenen en sluitsteen. Het topgeveltje wordt afgesloten door een fronton met daar onder in cijfers het bouwjaar 1897. Het fronton wordt op zijn beurt weer bekroond door een siersmeedijzeren ornament. De topgevelrisaliet doorbreekt het hoofdgestel met architraaf, fries en kroonlijst op klossen dat de voorgevel aan weerszijden van de risaliet afsluit.

De linker zijgevel (slechts het bovenste deel is zichtbaar vanaf de openbare weg) is georiënteerd op de Stationsweg en is eveneens voorzien van een topgevelrisaliet centraal in de gevel. Deze risaliet wordt op de begane grond gedeeltelijk in beslag genomen door de rechts tegen de gevel geplaatste serre. De serre bevat aan alle drie de zijden grote vensters met gekoppelde ramen. Ter hoogte van de kap heeft de risaliet dezelfde invulling, vormgeving en detaillering als die van de voorgevel. Links van de risaliet is vanaf de openbare weg nog net de bovenzijde van een getoogd venster zichtbaar met strek met gepleisterde aanzetstenen en sluitsteen. De indeling van de achtergevel is in de loop van de tijd sterk gewijzigd. Zo bevat deze gevel nu alleen rechts nog een oorspronkelijk venster met hardstenen lekdorpel en brede strekse boog met gepleisterde aanzetstenen en sluitsteen. De invulling van dit venster is gewijzigd (T-raam met bovenlicht). Links van dit venster zijn diverse bouwsporen zichtbaar die hoogstwaarschijnlijk de locatie van de oorspronkelijke gevelopeningen markeren.

Geheel links in de gevel een laag en breed venster met drie gekoppelde ramen uit 1956. Deze ramen worden teruggebracht in de oorspronkelijke stijl uit 1897. Het aanzicht van de rechter zijgevel wordt sterk bepaald door de rechts tegen de gevel geplaatste éénlaags aanbouw onder plat dak. Deze heeft in het zijgeveltje dat in één lijn ligt met de achtergevel een getoogde ingang met strekse boog. In het andere zijgeveltje is een klein rond venster  opgenomen met een tuimelraam. Het voorgeveltje ( evenwijdig aan de rechter zijgevel van het hoofdpand) is geheel blind uitgevoerd. De gepleisterde speklagen van het woonhuis lopen door over het metselwerk van dit uitbouwtje, dat gewijzigd is in 1956. De geveltjes van de uitbouw worden afgesloten door een eenvoudige daklijst. Links van deze uitbouw bevat de zijgevel van het hoofdpand op de begane grond twee niet oorspronkelijke vensters met enkel raam en bovenlicht. Het hoofdgestel dat de gevel afsluit wordt rechts onderbroken door twee niet oorspronkelijke vensters met enkel raam en bovenlicht. Het hoofdgestel dat de gevel afsluit wordt rechts onderbroken door twee niet oorspronkelijke vensters met enkel raam en door de bakstenen schoorsteen.

 

 

 

Interieur

Achter de hoofdingang bevindt zich een vestibule met wit marmeren vloertegels uit de bouwtijd met openslaande deuren naar de hal met een vernieuwde trappenpartij. In 1956 heeft architect Th. A. Ausems niet alleen de serre getekend, hij heeft ook vele andere aanpassingen voorgesteld aan de gevels en het interieur.

 In een latere periode zijn de meeste van deze aanpassingen opnieuw gemoderniseerd. In het toilet op de begane grond betegeling uit vermoedelijk 1956. Links van de hoofdentree doorgang naar woonkamer met serre en rechtsachter de vernieuwde keuken, alle wanden zijn hier doorgebroken. Onder de keuken bevindt zich een kelder met bakstenen troggewelfjes op stalen liggers.

 

De toekomst

In 2012 en 2013 wordt het pand, dat in sterk vervallen staat is aangetroffen en opgekocht, geheel gerenoveerd. Onder auspiciën van de monumentencommissie heeft de eigenaar een ambitieus plan gemaakt dat de stadsvilla grondig restaureert en het interieur verder aanpast aan de eisen die de huidige tijd eraan stelt.

In juni 2013 zal het huis in oude luister zijn hersteld en zal de nieuwe bewoner er zijn intrek in nemen.